| Home | Decap 121 | Decap Overig | Mortier | Decap HerentalsNBCDiversen | Nieuw | Reportage | Orgeldag | Links | Contact |

TH. Mortier, Antwerpen

 

Van alle fabrikanten van dansorgels in Belgie was de firma Th. Mortier te Antwerpen de grootste en meest productieve. Oprichter was Theophile Mortier (1855-1944), eigenaar van een groot Antwerps cafe annex danszaal, die rond 1885 orgels begon te importeren en te verhuren. Hiermee had hij zoveel succes, dat zijn bedrijf vanaf 1898 ook nieuwe orgels ging bouwen. Meer dan 600 dansorgels en orchestrions werden door de fabriek geleverd. De productie bereikte een hoogtepunt tussen 1919 en 1928. In de jaren dertig, na de economische wereldcrisis, bouwde Mortier nog verschillende grote dansorgels in een meer moderne stijl. Maar na de Tweede Wereldoorlog veranderde de smaak van het publiek en nam de vraag naar Mortierorgels sterk af. In 1952 werd de firma geliquideerd.

 

In de eerste helft van de 20e eeuw zorgden Mortierorgels voor muziek in de vele danszalen in Belgie en

Zuid-Nederland, waar duizenden mensen s'avonds na hun werk en in het weekend afleiding zochten. De orgels stonden meestal op een hoog podium achter de houten dansvloer, waarop de bezoekers dansten op de nieuwste melodieen. Cafehouders lieten vaak aparte danszalen met een orgel aan hun zaak bouwen. In Belgie stonden de nieuwe dansorgels van Mortier en andere merken slechts een beperkt aantal jaren in de danszalen, omdat wegens concurrentie van omliggende etablissementen telkens modernere en grotere exemplaren werden aangeschaft. Want het mooiste dansorgel trok natuurlijk het meeste publiek en gaf hierdoor ook extra inkomsten.

 

Behalve danszaalhouders die hun orgels vast in hun zaak hadden opgesteld, waren er ook orgelverhuurders die langs steden en dorpen reisden wanneer daar iets te doen was. Tussen de beide wereldoorlogen stond tijdens de kermisdagen in Belgie en Zuid-Nederland in vrijwel ieder cafe een dansorgel opgesteld. Bij de kleine cafes werden de orgels buiten onder een dekzeil tegen de muur van het cafe opgesteld. Dan werden

de ramen verwijderd en kon men binnen op de orgelmuziek dansen. Het was hard werken om de orgels elke

keer op de vrachtwagen te laden, weg te brengen, op een andere plaats weer af te laden en vervolgens in het cafe of de danszaal (al dan niet met een podium) te gaan opbouwen, met fronten van ruim acht meter breed tot vijf meter hoog. Zo'n vier tot vijf dagen later werd het orgel dan weer opgehaald. In de jaren twintig en

dertig werd de jeugd nogal eens gewaarschuwd dat ze tijdens de kermis bij de cafes waar dansorgels stonden niet door de vensters mochten binnengluren, want "daar zat de duivel in". Maar ondanks de vermaningen van de pastoor en de onderwijzer leefden de mensen naar de jaarlijkse kermis toe, want zoals het gezegde luidde: "Het is een slecht dorp waar nooit kermis wordt gevierd!" De meeste orgels van de firma Th. Mortier werden afgedankt en gesloopt, of omgebouwd tot straatorgel. In dancings zijn deze instrumenten thans niet meer te vinden, ze staan nu in musea en prive verzamelingen over de hele wereld.

 

Toetsen en registers

De firma Mortier bouwde dansorgels in verschillende grootten. Maatgevend is het aantal toetsen

(de pennetjes in het mechaniek). Deze varieren bij Mortier van 72 tot 123 toetsen. Gangbaar waren de modellen 84-toets, 92-toets, 101-toets en 112-toets. De dansorgels imiteerden de populaire dansorkesten

uit de periode 1900-1940. De orgelregisters hadden dan ook namen van bestaande instrumenten, zoals viool, saxophone, klarinet, bariton, piston, trompet etc. Vanaf 1906 voegde Guillaume Bax, de belangrijkste pijpenmaker bij Mortier, enkele nieuwe registers toe: carillon, viool-celeste, flute 8" en baxophone (een eigen uitvinding). In de jaren twintig bedacht Bax de registers jazz-flute en vibraton, om daarmee de nieuwe sound van de jazz te kunnen nabootsen. Vanaf de jaren dertig werden steeds vaker echte accordeons in de orgels ingebouwd.

 

Muziek

Voor de Eerste Wereldoorlog klonken op de dansorgels de destijds populaire dansen, zoals wals, mazurka, polka, scottisch en one-step. Tussen 1918 en 1940 werden door import uit Noord-Amerika hieraan alle mogelijke steps, tango, foxtrots en de charleston toegevoegd. Het meest populair waren dansorgels die de laatste nieuwe schlagers of tophits speelden. Na de Tweede Wereldoorlog beleefde het dansorgel nog een korte opbloei. Toen kwamen de dansen op de orgels uit Zuid- en Midden-Amerika, zoals rumba, samba, conga en mambo, allemaal in vierkwartsmaat, met een sterk gesyncopeerd ritme.

Om in een cafe waar een orgel was geplaatst te mogen dansen, moest men in de regel dansgeld betalen.

Als de boek was afgelopen, werd er geroepen, half uit en in de broekzak. Hoe vlugger een boek was doorgedraaid, des te vlugger kon er weer geld worden opgehaald. Ook om die reden telden de orgelboeken destijds maar weinig meters. Onmiddellijk daarna werd een ander nummer opgezet, waarna de procedure werd herhaald. Dit gebruik bleef tot ongeveer 1950 in stand.

 

Tekst en afbeeldingen Tom Meijer

Copyright © 2010 Dansorgels.nl All rights reserved.